Publicaties

Textile Lab publiceert regelmatig publicaties over diverse onderwerpen. Deze publicaties kunt u voor eigengebruik vrij downloaden en gebruiken. Indien u wenst deze publicaties te publiceren op wat voor wijze dan ook, dan dient u vooraf toestemming te hebben van de schrijver. Wij wensen u veel plezier bij het lezen van de publicaties. Heeft u opmerkingen of suggesties laat het ons weten per email.

Sanforiseren deel 3

Sanforiseren deel 3

4 De oorzaken van het krimpen van breisels

Ook bij breisels spelen de onder punt 2 vermelde punten ten aanzien van de krimphouding een belangrijke rol. Bij een vergelijking van weefsels tot breisels is het opvallendste onderscheid de geringe stabiliteit van breisels in de lengte en dwarsrichting. Deze voor draageigenschappen absoluut positieve elasticiteit bevordert echter machinetechnisch andere veredelingsprocessen dan een stabieler weefwaar.

4.1

Samenwerking van breier, materiaalverzorger en verwerker is zeer aan te bevelen. Een breisel probeert bij een wasgebeurtenis altijd tot een volle ontspanning te komen. Belangrijk is daarbij dat de breier over de werkparameter op de dimensie stabiliteit heen werkt. Alle veredelingsfasen moeten zo spanningsloos mogelijk gebeuren. De goederen moeten, voor optimale ontwikkeling voldoende gelegenheid gegeven worden op de breisels die klaar zijn te krimpen. De van de klanten verlangde gewicht- en breedtespecificaties moeten zo mogelijk identiek zijn met de volle ontspannen structuur. Wijken de specificaties sterk af van de volle ontspannen structuur dan zal onacceptabel krimpen van de kledingstukken in de was het gevolg zijn.

 

Het gecomprimeerd krimpen van breisels

De ter krimp voorgelegde breisels vinden hoofdzakelijk in 2 vormen plaats.

1) in de open breedte, dat wil zeggen afgesneden rand/rondwerkgoederen of goederen van de

vlakstrik/touw machine.

2) In slangvorm

 

Bij beide soorten is het zeer belangrijk om te weten in welke richting de breiontwikkeling zich bij de was verandert. Van ieder stuk, zelfs bij gelijke warenkwaliteit, moet een wastest voor de behandeling gedaan worden, omdat ieder stuk ten gevolge van verschillende draadspanning en afvoerspanning op de machine zich anders kan verhouden.

 

5.1 De krimptest

De krimptest zelf is zeer zorgvuldig uit te voeren. De heer W. Krucker, EMPA St. Gallen heeft op het 27e Congres van de IFWS in 1982 in Zurich, de resultaten van de poging van een werkgroep met deelname van 10 laboratoria uiteengezet. Gewassen werd er met huishoudapparaten naar SN 198861, gedroogd werd er liggend, hangend en in de droger. Geklimatiseerd werd er voor zover er een klimaatruimte voorhanden was.

 

-Abb 04 Interlock 5 keer gewassen, lengte

-Abb 08 Interlock 5 keer gewassen, dwars

-Abb 06 Single Jersey 5 keer gewassen, lengte

-Abb 10 Single Jersey 5 keer gewassen, dwars

 

Bij de trommeldroging werden de hoogste krimpwaarden verkregen maar had de beste reproduceerbare waarde tot gevolg. Een 5-voudige wassing is geschikt, het duurgedrag beter te leren kennen, als routine test mag daarentegen eenmaal wassen voldoende zijn, weliswaar zijn tenminste dubbelproeven te testen. De heer Krucker beveelt het wassen met de trommeldroging aan.

 

5.2 Het aanbod van machines voor het gecomprimeerd krimpen van breisels is groot en veelzijdig. Enkelen worden er hieronder kort beschreven. Allereerst machines geschikt voor open goederen.

 

5.2.1. De Krumpex- installatie

Deze leidt de goederen over dampsproeiers om ze te bevochtigen, door een hitteveld met verschillende omvangsnelheid. Er worden lengterestkrimpwaarden van 4 % bereikt.

 

5.2.2. Tube-TEX KOMPACTOR installatie

Het werkingsprincipe is de verschillende snelheid van de walsen. De sneller lopende toevoerwals bestaat uit een waarborgintensief aluminium oppervlak. De langzaam lopende afvoerwals bereikt de oppervlaktehechting door diepgegraveerde dwarslijnen. De elektrisch verhitte schoen verhindert uitwijken van de goederen. De walsen worden met damp verhit. In de verdichtingzone kan de afstand tussen de walsen traploos worden ingesteld tijdens het lopen. Door een ruimte met dubbele sproeiers worden de goederen aan beide zijden besproeid om zich op de krimp voor te bereiden.

 

5.2.3.Sanfor Knit machine

Deze machine ontstond in de Verenigde Staten in samenwerking met Sanfor vakmensen en producenten van breisels. In Europa gebouwd door Monforts. De goederen worden van de wagen of de pallet getrokken, op een naaldspanraam wordt van tevoren de breedte ingesteld. De goederen lopen gelijk over een of twee dampzones. Dan de overgang van breedtestrik naar viltkalander ziet u onder. De viltkalander, gevolgd door de controletafel en de voorraadaflage met als laatste 2 walsen voor op te rollen, op kleine rollen.

 

Vergroot de overgang van breedtestrik naar viltkalander 1 tot 5, daaronder de verdichtingzone.

De goederen worden op het vilt gelegd en door de geleiding beugel gehouden. Door contacthitte op de grote viltkalander biedt zich de mogelijkheid vooraf aangebrachte kunsthars te condenseren of synthetische vezels te fixeren.

 

5.2.4. De TROFIX installatie

Dit is een continue drooginstallatie met inloop, bevochtiger, infrarood verhitting, damper, droger, controletafel en koeling. Deze installatie is speciaal geschikt voor massagoederen en lang vezelige geruite goederen, bijvoorbeeld pelsimitatie, decoratiestoffen enz.

 

5.2.5 JAWATEX natte krimpbehandeling

De massavorm die ontstaat door lengterek, in de breierij, lengterek bij het bleken en in de ververij. Door dwars trek wordt de lengtespanning teruggevormd en in de zwevende sproeidroger herhaalt zich de dwarsspanning naar ontspannen vorm.

 

5.2.6. De SPIRETTO-RIMAR installatie KSL 240

Deze is ontstaan in nauwe samenwerking met Italiaanse producenten. Het is een machine waarop open en ook weefsels gekrompen kunnen worden. De open goederen worden uit een wagen of vanaf pallets opgenomen. Over een inloopveld geraakt het goed in een ca. 6m lang naaldspanraam met voor bewerking inrichting en dampzone van die in de krimpeenheid. Dit hele systeem is behandelbaar zodat ruimte ontstaat wanneer slanggoed wordt vervoerd. Vanaf de voorraad worden in dit geval de goederen, over een aangedreven wals in een trommel getrokken door een machine en worden dampkasten in de gewenste breedte op de viltband gelegd. De krimpeenheid bestaat uit 2 verhitte krimpcilinders van 600m diameter, temperatuur 155ºC, 5 bar. Over ieder van deze cilinders gaat elk een synthetische 20-22mm dikke, lange viltband die de massagoederen krimpen. De goederen worden bij de invoerwals op het viltband neergelegd tussen de krimpcilinder en vilt vastgehouden en zo aan een eerste krimp onderworpen. In de 2e sectie van de krimpeenheid volgt een identieke krimp. Omdat de massagoederen oppervlak elk eenmaal de staalcilinder en het vilt aanraakt, bereikt met een zeer grote gelijkheid van de goederenoppervlakken vanaf beide zijden wat bij weefsels zeer op prijs wordt gesteld. De goederen verlaten de krimpeenheid op een transportband over een koelinstallatie en een inspectie vlak. De goederen vallen op een transportband die de goederen tijdens de rollenwissel opneemt. Op de installatie met 2 walsen met zijsturing worden kleine rollen gewikkeld en verpakt. Het krimpvermogen van de beide krimpsecties bedraagt 20 %. Machine snelheid 0-30m, walsbreedte 2400mm, arbeidsbreedte 2200mm. De viltbanden worden aangedreven door de krimpcilinder en aangedreven walsen. De gecomprimeerd krimp gebeurt bij het begin van de goederen bij de intrekwals en de staalcilinder. Een apparaat voor de krimp toont de ingestelde krimp aan. De installatie is met veel succes sinds de herfst van 1988 op de markt.

 

5.2.7. Modern Globe

Zij heeft in samenwerking met Sanfor en weefsel producenten een gecomprimeerd krimpinstallatie alleen voor weefsels ontwikkeld. De goederen worden van laag afgezogen en over droogcilinders getrokken. Aansluitend doorloopt het een bevochtigingkamer met water en dampsproeidouches. De compressor is behandelbaar zo dat, nadat de goederen er in gaan, deze zeer dicht bij de viltkalander kan worden geschoven. Door hitte op de viltkalander kan vooraf opgebrachte kunsthars gecondenseerd worden. Aansluitend wordt in de slang goederen afgelegd. Al naar gelang slangomvang, kan 1 of 2-banig gegaan worden. Tot de goede breedte-inhouding wordt er in de slag een zwaard gelegd, die tussen de beide rubberbanden ingevoerd en vastgehouden kan worden. De gecomprimeerde krimp gebeurd bij de invoering tussen de rubberbanden. Praktijkgerichte tests bij slangmassagoederen die plaats vinden, is zeer belangrijk om het draagcomfort te waarborgen en ook om een goede reproduceerbaarheid te kunnen behalen. De lengtekrimp moet dus gemeten worden wanneer het kledingstuk in de dwarsrichting op de omvang van de gekozen grootte uitgetrokken is.

Het in de Verenigde Staten ontwikkelde testinstrument KNIT-PICKER biedt deze mogelijkheid. Links zijn de meetschalen waarop een slang of een T-shirt wordt gelegd. De testinstallatie kan op verschillende groottes worden uitgerekt, zoals zich een menselijke borstkas bij diepe adem uitrekt. Terwijl deze uitrekking enige seconden lang duurt, tekent een instrument op een rasterpapier een curve af die niets anders voorstelt dan de druk die dat kledingstuk op het lichaam van de drager uitoefent. Deze metingen worden zowel voor het wassen als ook na 1 tot 5 keer huishoudelijk wassen met trommeldroging afgenomen. De lengte inloopmeting wordt aangebracht als de schalen op de gekozen grootte is gefixeerd zodat altijd de gelijke dwarsspanning voorradig is.

De KNIT-PICKER is zo geconstrueerd, dat massagoederen in slangvorm, T-shirts, sporttricots en sporthemden licht daarover te plaatsen zijn en op iedere gewenste grootte gerekt kan worden.

Bijzondere toevoegings-, vastkrimpgerei bieden de mogelijkheid de invoer van de KNIT-PICKER ook voor onderbroeken en slips te gebruiken net zoals de meting van de rubberbandweerstand. Net zo kan de rekking van de beenopening gemeten worden.

Sanforiseren deel 2

Sanforiseren deel 2

 

Het gecomprimeerd krimpen van weefsels en breisels.

 

Inleiding

Het krimpen of verschrompelen van textiel is ons allen al overkomen. Mouwen en broekspijpen worden te kort, kragen en boorden worden te nauw. Het poloshirt bedekt na het wassen niet eens meer de navel. Zoals wij uit de vorige voorbeelden horen moet men al vroegtijdig naar een goede dimensiestabiliteit toewerken. De dimensiestabiliteit is bij alle textiel een wezenlijke kwaliteitsfactor. Een door de consument (zonder vakkennis) gemakkelijk te beoordelen factor.

 

1.   De oorzaken van het krimpen van weefsels

Primaire oorzaken van vlakkenvorming uit cellulose vezels en zijn mengsels, zoals synthetische weefsels(voor zover ze uit stapelvezels zijn geproduceerd) zijn het slechts kleine bereik van de elastische vezelrekking en de dimensieverandering van vezels van droge naar natte toestand. Van de eerste tot en met de laatste productiefase zoals spinnen, garen, spoelen, weven, bleken en verven staan de garens en weefsels onder spanning. Deze verborgen spanningen hebben aanzienlijke invloed op de omvang van de textielkrimp. In de was bij de overgang van droge naar natte toestand lost de  Quellung van de cellulosevezel op, net zoals vergroting van de diameter en verkorting van de vezellengte, de krimp van de textiel en vlakkenvorming. Er vindt een geleidelijke terugvorming plaats, van de vormverandering, in elastische bereik van de vezelrekking, voor zover de natte behandeling in vergaande spanningsloze toestand plaatsvindt. Hoever deze terugvorming op de oorspronkelijke vezellengte plaatsvindt, hangt af van de garengesteldheid en de weefselconstructie. Weefsels die in toestand van rust geen ontspanning ervaren of onbehandeld van het weefgetouw komen, krimpen daarna. Deze maatverandering kan tot 20 % in de kettingrichting bedragen. De inslagkrimp, ook wel de breedtekrimp wordt beïnvloed als in weverij met hoge inslag spanning geweven wordt en in het veredelingsproces met hoge of lage trekspanning wordt gewerkt. Hoge lengtespanning net als lage inslagkrimp.

 

2.   Het gecomprimeerd krimpen van weefsels

Deze behandeling is voor vermindering van restkrimp van cellulosevezels wiens mengingen en synthetische weefsels op mechanische wijze worden gebruikt. In 1928 vond de Amerikaan Sanford Cluett een gecomprimeerd krimpinstallatie uit met gecontroleerde krimp, een vilt krimpinstallatie, en hij ontwikkelde deze later tot een rubber band krimpinstallatie ("systeem Cluett"). Vandaag de dag in de textiel industrie ook bekend als Sanford machine. De behandeling is wereldwijd van overheersende betekenis. Voor dit type verder besproken wordt, zijn er nog enkele andere systemen voor comprimerende krimp.

 

Rigmel platentype vroeger door SACM en anderen geproduceerd.

-Drukplaat

-Hittekeper

-Goederendoorloop

-Binnenste vasthoudplaten

-Spanningsrol

-Rubberband

-Weefselrug

 

Rigmel rollentype Hunt & Moscrop en anderen

-Verhitte persrol

-Goederendoorloop

-Spanningsrol

-Rubberband

-Weefselrug

 

Kompaktor Monforts, Hunt & Moscrop FRL USA enz.

-Gladde gerubberd bovenwals, traploos regelbaar, snellen dan onderwals

-Ruwe onderwals

-Dwarsbalk voor goederentoevoer

-Goederendoorloop

 

Comfit type Japan speciaal voor elastische weefsels ontwikkeld

-Rubber band 35 A Shore

-Slijpwals

-Rubber rol 35 A Shore

-Persrol

-Verhitte rol

-Koel- en afnemersrol

-Goederendoorloop

 

Al deze systemen zijn te combineren met het breedtetraject, droogeenheden, koel- en ontwikkelingsinrichtingen.

 

2.1. Principe van de behandeling (systeem Cluett, "sanfor")

In principe wordt de spontane krimp (vezel- en weefselkrimp) door mechanische krachten ondersteund. Omdat het weefsel eerst één keer spontaan krimpt, moeten de zogenaamde H-bruggen, in de vezels afgebroken worden. Vochtinwerking, bronnen, damp en sproeiwater. Van voordeel is een goede wateropname mogelijkheid van de goederen. In deze losgemaakte toestand van de vezelstructuur worden nu daadwerkelijk mechanische krachten werkzaam die het weefsel in kettingrichting samen schuiven. De mechanische installatie die comprimerende kracht produceert(systeem Cluett) wordt door verschillende producenten gebouwd, zoals Morrison, Monforts, Sperotto, Rimar, Kioto, Cibitex, Muzzi enz. In de inslagrichting streeft men naar een vermindering van de restkrimp waarde bij het wassen en op de spanramen.

 

2.1.1.    Vaststellen van de krimp van de betreffende weefsels

Door een wasproef behandeling wordt de krimp van het betreffende weefsel gevonden Het gebeurt als volgt. Het weefsel, klaar voor het krimpproces, wordt een wasproef in de volle breedte afgenomen en er worden 3 markeringen getekend om de 500 mm in de ketting- en de inslagrichting. De breedte wordt gemeten. Nadat dit gebeurd is, wordt het weefsel gewassen, gecentrifugeerd en gedroogd. Daarna worden de markeringen en de breedte nagemeten en zo de krimp in de ketting en inslag vastgesteld. Op grond van deze waarden wordt de machine ingesteld en het weefsel overeenkomstig gekrompen. Na de behandeling worden nogmaals wasproeven afgenomen, het weefsel opnieuw gemarkeerd en gewassen om te controleren of de aangestreepte restkrimp bereikt wordt. Het merk Sanfor bijvoorbeeld verlangt een standaard van 0 % in de ketting en inslag met een afwijking van ± 1 %.

2.2. Opbouw van de machine en diens handhaving

Zoals al vermeld, bestaan er verschillende systemen voor gecomprimeerd krimpen, hieronder volgt het meest verspreide systeem Cluett.

 

3.2.0. Aandrijving

We kennen in wezen 3 aandrijfmanieren

1.   Hoofdmotor met mechanische lengte golven-aandrijving en eronder gezette regelaandrijving.

2.   Eén motor aandrijving op weinig sectoren, met hoofdmotor.

3.   Gelijkstroom meerdere motoren aandrijving mogelijk door de Thyristorentechniek en de elektronische bouwstenen.

De rubberband aggregaat is bij alle drie manieren de hoofdmachine.

 

3.2.1.Inloop en controlewals om te kunnen werken vanaf vloer of rol. Met deze wals wordt de arbeidsspanning van het weefsel ingesteld.

 

3.2.2.    Bevochtiginginrichting

Het te krimpen weefsel wordt bevochtigd. Dit is een belangrijke fase van het proces. Alleen een optimaal bevochtigd weefsel laat zich goed krimpen, als de bereikte krimpwaarde ook gestabiliseerd wordt. Het is mogelijk een krimp zonder bevochtiging te bereiken toch is dit weefsel sterk geneigd zich na de behandeling te verlengen.

 

Algemeen bekend zijn de volgende 4 bevochtiging

systemen:

1.   sproeibalken, naar het overloopprincipe met luchtsproeiers om water te verstuiven

2.   balken met watersproei stralen (combinatie van water en lucht)

3.   sproeibalken met hoge turbines om water uiteen te slaan

4.   rollenbevochtiging lijkend op een duizend puntige wals in combinatie met één van de bovengenoemde systemen.

 

Tot de bevochtiging hoort ook de dampkamer met 3 tot 4 dampbuizen. Het te behandelen weefsel wordt over deze dampbuizen getrokken. In de dampkamer is een warmtetrommel( géén droogtrommel!) aangebracht met een temperatuur van 70-90 º C. Deze trommel is aangebracht met als doel het uit gesproeide water in de kern van de vezels naar de Quellung te migreren, om zo de wrijvingsweerstand terug te brengen en het krimpen te bevorderen. Een andere mogelijkheid is de dampcilinder. Het gaat hierbij om een dubbel mantelcilinder, van 600 mm diameter, bestaande uit een binnenste cilinder die damp verwarmt en een buitenste cilinder die de damp naar buiten doorlaat. De tussenruimte is met een omvangrijk spiraalvlechtwerk opgevuld. Het geperforeerde bovenvlak van de buitenste mantels is met een weefsel overtrokken. Het te behandelen weefsel wordt om deze cilinder geleid en gedampt. Op deze manier neemt deze cilinder naast het dampen ook het verdelen van het aangebrachte water over.

 

3.2.3 Breedteafstand

Met de Kluppenketten breedteafstand wordt het weefsel naar het krimpaggregaat gevoerd. In geringe mate kan hiermee invloed uitgeoefend worden op te breedte. De breedteafstand is instelbaar omdat de rubberband in afstanden in het bovenvlak nageslepen moeten worden. De slijpwals werkt daarbij tegen de rubberband aan als drukwals.

 

3.2.4.Rubberband krimpmachine

Dit is het hart van de installatie. Een eindeloze rubberband, met een binnenomvang van circa 4 meter, een uitgangsdikte van 67 meter en een shore hardheid van 40, wordt om een verwarmde trommel met diameter van 605-616mm, geleid. Temperatuur van de trommel is minimaal 90 en maximaal 150º C. Met de rubberband perswals wordt de rubberband bij het binnenlopen in verschillende mate tegen de trommel gedrukt. Hierdoor wordt het rubberdoek verschillend elastisch gerekt. Hoe groter de druk, hoe groter de Oberflächen-Dehnung. Op dit ogenblik wordt het weefsel op het rubberdoek neergelegd. Bij het verlaten van de Quetschstelle herstelt zich de rubberband weer en verkort zich op de oorspronkelijke lengte. De goederen die op de gerekte rubberband liggen, moeten onvermijdelijk de verkorting meemaken. De goederen worden door dit meeneem effect zo samen geschoven dat ze zich aan de gladde, gepolijste, hete trommel kunnen houden. Door veranderingen van de bandaandrijving wordt de krimp van de goederen veranderd. Hoe sterker de aandrijving, hoe groter de krimpcapaciteit. De rubberband mag niet meer dan 30 % van zijn normale dikte geperst worden. Werken met de geringste nodige druk verlengt de gebruiksduur van de rubberband. De rubberband wordt binnen en buiten met sproeiwater besprenkeld. Aan de binnenkant vormt zich daarom een waterfilm tussen de onderkant van de rubberband spanrol ter vermindering van de weerstand. Buiten dient het water ter afkoeling van de rubberband. Dit water wordt met afklemwalsen kort voor het weefsel binnenkomt weer ten dele verwijderd. Waterverbruik is 3 tot 3,5 m³/h.

 

3.2.5. Viltkalandertrommel

Dient om de goederen te laten drogen Gebruikelijk zijn trommeldiameters van 1500, 2000 en 2500mm. De gekozen diameter is afhankelijk van het gewicht van de goederen en de daarbij gewenste droogsnelheid. De druk kan oplopen tot en met maximaal 9 bar. De weefsels die men wil drogen, worden met een vilt van 6 mm dik om de trommel geleid. Dit om de trommel leiden verhindert het uitrekken van de aangebrachte krimp. De verdampende vochtigheid fixeert de krimp. Er worden gespelde polyester vilten(in uitzonderingsgevallen ook nylon kwaliteit of gevulde wolvilten) gebruikt.

 

3.2.6. Viltdroogtrommel

Deze dient om het vilt dat meeloopt te drogen.

 

3.2.7. Uitloop

Veel jaren overheerste de mogelijkheid om de goederen in lagen vast te spijkeren op zogeheten "sanfor" schragen. Het is aan te bevelen om moeilijke artikelen met geringe stabiliteit zo te behandelen. Met de huidige verfijnde techniek worden meer en meer lage bladrollers of pallets ingezet. Hierbij is aan te bevelen 1 a 2 koeltrommels bij te bouwen anders blijven de goederen op de bundels te heet. Verzamelbakken worden ingeschakeld voor de korte tijd tussen het wisselen van bundel of palet.

 

3.2.8 Krimpaanwijzing

Bij aandrijving met lengtegolven worden op de ingang controlewals en na het viltkalander ieder een Gebertachometer aangebracht(inkomst en differentiatiekant). De differentiatie wordt door een meetinstallatie als krimpwaarde in een percentage uitgedrukt. Bij een meermotoren aandrijving wordt de krimpwaarde uit de motorwaarden vastgesteld en ook in een percentage uitgedrukt. Deze waarden zijn te onderzoeken door het aanbrengen van metermerktekens op de goederen.

 

3.3.    Machineontwerp

Er zijn walsbreedtes tot 3400 mm overwogen. De maximale weefselbreedte bedraagt walsbreedte 20 cm. In werking zijn installaties tot walsbreedte 3000mm. De massa van de nieuwe installatie heeft een walsbreedte van 1800 tot 2200mm. De machinesnelheid is traploos tot 100m/min instelbaar, minimale snelheid is 5m/min. Bij deze minimale snelheid wordt bijvoorbeeld de rubberband geslepen. Loopsnelheden van 60-100m/min. worden bij lichtere weefsels (bijvoorbeeld hemden en blouses) gebruikt. Snelheden van 30-70m/min. bij middel en zware weefsels (beroepskepers en denim goederen). De daadwerkelijke snelheid wordt door het machineontwerp bepaald, door de diameter van de droogtrommel, de beschikbare dampdruk en de toestand van de goederen(voorbehandeling). Afhankelijk van de soort van de goederen zijn er krimpwaarden van 2 tot 17 %. Voorwaarde voor zuiver, goed gekrompen goederen is een schoon, glad oppervlak van de rubberband. Het is aan te raden het oppervlak van de rubberband telkens na ongeveer 250 machine uren te slijpen. Dit komt overeen, al naar gelang loopsnelheid, met een productie van 300.000 tot 800.000 meter goederen. Om te kunnen slijpen, wordt een slijpwals met motoraandrijving aangebouwd. Het slijpen kan droog gebeuren, met gebruik van talk(magnesiumsilicaat). Hierbij moet men in de gaten houden dat talk stuift. Het stof van het slijpen kan afgezogen worden. Het slijpen kan ook nat gebeuren met gebruik van laag geconcentreerd zeepwater. Hierbij moet men erop letten dat een watervaste slijpband gebruikt wordt. Diepere inscheuringen kunnen door het slijpen gevulkaniseerd worden. Al naar gelang de goederen levert een rubberband 5 tot 21 miljoen meter. Synthetische vilten hebben een levensduur van meerdere miljoenen meter, wolvilten 1 tot 1,5 miljoen meter. Trommeltemperaturen, goederen, onderhoud en zorg spelen een grote rol.

 

3.4 Combinaties

Bij niet te gedifferentieerde goederenpaletten wordt de krimpinstallatie ook in directe combinatie gebruikt. Bijvoorbeeld: spanramen, krimpinstallaties of voor denim, borstelmachine, klappen, 1 tot 2 foulards, rekwerk ter terugbrengen van de warenbreedte een inslag-schraagtrekinrichting, 2 tot 3 cilinderdragende secties, een korte klem-breedtetraject ,het krimpaggregaat en 1 tot 2 viltdroogkalanders, koeltrommels en uitloop. Loopsnelheid 30-60 m/min. Andere combinaties zijn mogelijk.

 

3.5 Algemeen

De gecomprimeerd krimp is in de regel het laatst nodige proces voor het laten zien en opmaken van de goederen. Men moet bij de volgende arbeidsfasen zo mogelijk zonder spanning werken op het uittrekken van de verkregen krimp te verhinderen. Van de verzendklare partijen moeten regelmatig wasproeven genomen worden, om vast te stellen of de goederen niet door trekspanning uitgezet zijn. Naast de al vermelde textielen worden ook weefsels uit linnen, gesneden viscose, zijde, wol en katoenmengsels met goed gevolg compressief gekrompen. Als neveneffect van het compressief krimpen treedt een wezenlijk greepverbetering en naaibaarheid op.

Sanforiseren deel 1

Onderwerp: Sanforiseren

Sanforiseren

 

"Saforized", "Sanfor-Knit", "Sanfor-Knit-Fabric" en "Sanfor-Set" zijn geregistreede handelsmerken van de firma Sanforized Company of Cluet, Paeboy & Co., Inc. De Sanforized company staat toe om onder licentie het sanfor label te gebruiken mits aan de eisen is voldaan. Producten die dit label gebruiken worden regelmatig gecontroleerd door de Sanfor company of deze nog aan de eisen voldoen. Sanforiseren is niet meer dan een gepatenteerde behandeling methode om waskrimp tegen te gaan. Katoenen weefsels die het Sanfor (of Sanfor-SET) proces zijn doorlopen dienen een krimppercentage te hebben die niet groter is dan -1% / +1%. Dit percentage geldt bij een was temperatuur van 95 graden Celsius en het product dient onder een pers of hangend aan de lijn gedroogd te worden. Een breisel met het "Sanfor-Knit" label zal niet meer dan -5% / 5% krimpen bij een was temperatuur van 60 graden Celsius bij droogtrommel drogen. De behandeling is verder identiek aan standaard Sanfor proces. In uitgave 6 zullen we dieper ingaan op de techniek en de voorwaarden.

Pilling

Onderwerp: Pilling

Pilling: van theorie naar praktijk
Chemische en natuurlijke behandelingen om pilling tegen te gaan

Wat houdt pilling eigenlijk in? Men spreekt van pilling als er uit het garen, doek of breisel uitstekende vezeleindjes steken die zich als het ware gaan vervezelen tot vezelpropjes op het doekoppervlakte. Een enkele grondstof soort heeft hier meer neiging toe dan een andere. Ook zal het bij de ene grondstof makkelijker te verwijderen zijn dan bij de andere. Pilling treed vooral op bij: schouder, bovenarm, elleboog, zitvlak en kraag. Tegenwoordig worden er steeds meer manieren gevonden om pilling tegen te gaan, en te verminderen. Men onderzoekt tegenwoordig wat de oorzaken kunnen zijn waardoor iets gaat pillen. Als er bekend is welke oorzaken dit zijn ( deze kunnen tijdens het hele productieproces optreden ), kan er iets aan gedaan worden. Hiernaast ziet u twee foto's van het verschijnsel pilling, en wat een oxydatiebehandeling al kan doen

Al jaren wordt de textielindustrie geteisterd door de pilling plaag. Om het probleem een beetje in de hand te houden moeten we van tevoren bedenken welke grondstoffen we gaan gebruiken, zo heeft wol bijvoorbeeld eerder de neiging om te gaan pillen dan katoen. Ook moet de voorbehandeling ( scheren/oogsten, borstelen, zengen, termofixeren ) consequent gebeuren. Maar er zijn nog meer maatregelen die u kunt nemen. Deze maatregelen kunnen betrekking hebben. op zowel chemische als mechanische behandelingen. Ook kunt u voor het spinnen al beïnvloeden of uw garen wel of niet zal gaan pillen. Door langere vezel stukjes te gebruiken hebben ze onderling meer houvast en zullen minder snel uit het garen steken dan kortere. Ook door een hoge twist aan te brengen in het garen (aantal draaiingen van het garen), zal het product minder gaan pillen. Om het pilling probleem te verminderen moet u eerst weten wat de oorzaken zijn die pilling veroorzaken zo is er bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar vezel eigenschappen en er is gebleken dat waneer u kijkt naar de vezellengte, vezeldiameter, vezelgaren of filamentgaren het er wel degelijk toedoet of iets pilt of niet. Op bepaalde machine's wordt er gekeken naar de pilneiging die een product heeft. De wrijving die tijdens het dragen zal optreden, wordt gesimuleerd, en zo kun je een product testen hoe het er na een tijd dragen uit zal gaan zien. Deze testen worden uitgevoerd op een ICI pillingbox, Atlas Random Tumble of de Martindale. Er wordt beoordeeld aan de hand van foto's die aangeven in welke mate er pilling is opgetreden ( m.b.v. de cijfers 1-5 waarbij 1 staat voor hevige pilling en 5 staat voor geen pilling).

 

Er word gebruik gemaakt van verschillende methoden om pilling te verminderen of te voorkomen, deze worden bijvoorbeeld weer onderverdeeld in natuurlijke en chemische behandelingen

 

De behandeling

De natuurlijke behandelingen die u kunt uitvoeren zijn bijvoorbeeld: schuren, hittebehandeling, heet impregneren, behandelen met een zeepoplossing. Enkele chemische behandelingen zijn behandelen met: siliconen finish, Latexfinish, thermoplastische hars enz ( de pilling is minimaal ).

Alhoewel polyester niet snel pilt, kunt u toch wanneer u het fabriceert bij een temperatuur van

160-250 F en 15 tot 60 min behandeld met 0.001-0.1 % uit vier delen bestaande ammoniumzout het pillen minimaliseren.

 

Effecten van oxyderen en reduceren op wol.

Bij wol blijkt dat geverfde wol minder pilt dan niet geverfde, hierbij maakt u weer onderscheid tussen in streng geverfde wol en in de vlok geverfde. Vaak wordt de wol geoxydeerd of gebleekt, hierbij treed echter wel vezelaantasting op wat kan leiden tot verandering van de eigenschappen van wol, en dat terwijl u deze eigenschappen graag wilt behouden. Waneer de wol behandeld is met chemicaliën die kalium of koolstof bevat zal deze eerder geneigd te zijn weer te gaan pillen, hoewel u dit wel weer met andere chemicaliën op kunt heffen. Deze behandeling wordt ook wel gedaan om het krimpen tegen te gaan , ook wordt het vuilabsorberende vermogen van het doekoppervlakte verminderd (door de kaliumpermangaat).

 

Effecten van een enzymbehandeling

Veel vaker wordt er gebruik gemaakt van een enzymoplossing, deze verminderd de pilling zonder de vezeleigenschappen te veranderen, behalve dan dat deze nu minder pilt. Bij wol moet gelet worden op alkali want wol lost hierin op. Er zijn 2 verschillende soorten enzym oplossingen, een voor cellulose vezels zoals katoen ( deze werkt met de PH en de temperatuur), en dus die van de wol (deze werkt met alkali, de schubben worden nu niet meer kapot gemaakt, en de wol behoud dus zijn natuurlijke eigenschappen zoals goed warmte isolerend, veerkracht enz. ). De werking is als volgt: Bij het cellulose enzym ( cellulase genaamd ) kan de pilling verwijderd worden zowel voor als na het verven. Het cellulase enzym bevat 3 glucoses: Exo cellulase, Endo cellulase en ß-d glucose. Het proces kan geregeld worden door de temperatuur en de pH waarde, hierin wordt de cellulose vezel er in streng- of garenvorm doorheen geleid waarbij de vezels er als het ware afgebeten worden. Geschikte proces voorwaarden zijn: eerst 5 minuten op kamertemperatuur, dan de temperatuur opvoeren tot 45° waarbij u de enzym oplossing erbij doet, hierna verhitten tot 60° als de temperatuur afgekoeld is tot 40° dan stopt u met de enzym behandelingen laat het twee keer 5 minuten staan bij een temperatuur van 40°. Deze behandeling is wasecht en ook tijdens het dragen zal er weinig pilling optreden, omdat de vezels voorzien zijn van een laagje en dus niet meer zo eenvoudig naar buiten kunnen treden. Ook word de greep zachter.

 

De werking van een enzyn CM-30 op en katoenen vezel:

De delen van de ezym doen om de beurt hun werking, eerst word het Cx enzym aangebracht die ervoor zorgt dat de vezel opener word, daarna kan het tweede deel, het C1 enzym in de vezel trekken. De twee delen gaan zich samen voegen en vullen de vezel op. hierna word het uiteindelijke Molecuul gevormd.

 


Biopolishen:

Een andere manier die u kunt gebruiken zonder dat er hierbij aantasting van de schubben optreed is gebruik maken van een Biopolishing, deze methode word uitgeoefend om een zacht, glad garen vrijwel zonder pilling te maken. Er word gebruik gemaakt van chemicaliën die minder belastend zijn en die er tevens voor zorgen dat de greep zachter word. Deze behandeling wordt meestal op cellulose vezels gedaan, en dit kan tussen elke natte bewerking gedaan worden. Echter beter is deze behandeling na het bleken uit te voeren. Zelfs als het product al geverfd is kan de behandeling plaats vinden. Het pillen zal aanzienlijk verminderen. Het effect is blijvend, zelfs tijdens het dragen of het wassen. Deze behandeling is vooral geschikt voor blends die snel de neiging hebben tot pilling, en in de natte productie in de textiel wereld. De twee laatste bewerkingen worden vooral op zachte wollen breigarens gedaan. Nu heeft men dus zachte wollen garens die niet meer, of veel minder pillen. Misschien dat we zo in de toekomst de pilling plaag op kunnen lossen.

Hieronder ziet u een foto van een katoenen vezel die is behandeld met een enzym oplossing genaamd cellulase

 

Zo ziet u dat we al een heel eind op weg zijn op de pilling plaag tegen te gaan. De vraag is echter worden de methoden wel altijd toegepast of hebben we te maken met een basis materiaal van inferieure kwaliteit.

 

Wij danken u voor het downloaden/afdrukken van deze publicatie. Op deze publicatie geldt een Copyright © Textile Lab 2007/2027. Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend! Meer informatie kunt u vinden op: www.textilelab.nl

Nonwoven

Onderwerp: Nonwoven

Nonwoven

Nonwoven betekent letterlijk "niet geweven". Toch vallen gebreide stoffen niet onder deze categorie. Bij nonwovens wordt het doek direct gemaakt van de vezels of filamenten. Daardoor kan de stap van het maken van garens van de vezels of filamenten overgeslagen worden. Hierdoor kunnen nonwovens sneller en goedkoper geproduceerd worden. Dit is de reden dat er veel onderzoek is gedaan naar nieuwe productiemethodes en toepassingen van nonwovens.


Vilt

De oudste nonwoven is vilt. Bij het maken van vilt wordt gebruik gemaakt van de schubben van de wol- of haarvezels. Onder invloed van wrijving, vocht, warmte en druk schuiven de schubben in elkaar waardoor een zeer compacte, sterke stof ontstaat. Vilt wordt gebruikt voor applicaties, hoeden en industriële toepassingen.


Vliesstoffen

Vliesstoffen kunnen ingedeeld worden naar vliesstructuur en naar productiemethode. Er zijn drie soorten vliesstructuren: de parallelstructuur, de kruisstructuur en de wirwarstructuur. Bij de parallelstructuur liggen de vezels of filamenten zoveel mogelijk in de lengterichting de stof. Hierdoor zal een grote rek en treksterkte in de lengterichting ontstaan. Deze vliesstructuur wordt o.a. toegepast bij plakvlies voor gebreide kleding om uitzakken tegen te gaan.

Bij de kruisstructuur liggen de vezels en filamenten haaks op elkaar in de stof. Hierdoor zal de sterkte en rek in beide richtingen even groot zijn. Deze vliesstructuur wordt toegepast voor vloerbedekkingen en als drager voor de coating van bijvoorbeeld kunstleer.

Bij de wirwarstructuur liggen de vezels of filamenten willekeurig in de stof. Hierdoor ontstaat een volumineus vlies met een relatief laag gewicht. Deze vliesstructuur wordt toegepast als tussenvoering en als isolatiemateriaal.


Productiemethode

De manieren waarop de vezels en filamenten in het vlies aan elkaar gehecht kunnen worden zijn: door bindmiddelen, door bindvezels, door vernaalden. Bij het gebruik van bindmiddelen worden de vezels of filamenten in het vlies bedrukt of besproeid met een bindmiddel dat vervolgens wordt gedroogd en uitgehard. Deze vliezen hebben een grote soepelheid maar een geringe treksterkte. Deze manier van verbinden wordt toegepast voor tapijten.

Bij het gebruik van bindvezels worden vezels met een hoog smeltpunt gecombineerd met vezels met een laag smeltpunt. Door het vlies te behandelen met warmte en druk zullen nu de vezels met een laag smeltpunt vastsmelten aan de vezels met een hoog smeltpunt. Deze manier van verbinden geeft vrij harde en stevige vliezen. Deze manier van verbinden wordt toegepast voor tussenvoering.

Bij vernaalden wordt het vlies verknoopt door het veelvuldig te doorsteken met naalden voorzien van haakjes. Deze methode wordt vooral toegepast voor tapijten.


Naaibreistoffen

Ook bij naaibreistoffen wordt uitgegaan van een vezelvlies. De verbinding tussen de vezels wordt gemaakt door het vlies door te stikken met een garen. De meest bekende toepassing van een naaibreistof is een dweil.

Nonwovens worden veel toegepast in geplakte stoffen oftewel laminaten. Door het lamineren van stoffen wordt de stof steviger, beter verwerkbaar, beter vormvast en de draageigenschappen kunnen verbeterd worden.


Lijmcoating

De lijmlaag kan op drie manieren op het vlies aangebracht worden: door een puntcoating, een strooicoating of een filmcoating. Bij de puntcoating wordt de lijmlaag volgens een bepaald regelmatig patroon op de stof aangebracht. De hechtpunten liggen relatief ver van elkaar, hierdoor blijft de stof soepel aanvoelen. Bij de strooicoating wordt het hechtmiddel willekeurig over de stof gestrooid. Bij deze coating liggen de hechtingspunten dichter bij elkaar. De lijmlaag kan daardoor dunner zijn. Deze coating wordt toegepast bij dunne, gladde stoffen. Bij de filmcoating wordt het hechtmiddel als een dunne laag over de volle oppervlakte van de stof aangebracht.


Klachten

De meeste problemen met gelamineerde stoffen ontstaan pas na reiniging van het artikel. Klachten die kunnen ontstaan zijn:

· Loslaten van de geplakte stoffen, door een verkeerd hechtmiddel, een verkeerde plaktechniek of een

 verkeerde reiniging,

· Doorslaan van de lijmlaag, door een te dunne bovenlaag, een te dikke coating of een verkeerd

 plakproces,

· Ongelijke krimp, het krimpverschil tussen de boven- en onderstof mag niet meer dan 1% bedragen.


Testen

Hoe kan Textile Lab u ondersteunen bij het beheersen van de kwaliteit van uw geplakte stoffen? Wij kunnen de volgende onderzoeken voor u uitvoeren:

· Controle van de geleverde kwaliteit van het plakvlies door het bepalen van grondstof, vliesstructuur,

 soort verbinding en soort coating,

· Bepalen van de waskrimp van bovenstof en plakvlies,

· Bepalen van de perskrimp van bovenstof en plakvlies,

· Bepalen van de sterkte van de hechting na het persen,

· Bepalen van de sterkte van de hechting na het wassen,

· Greep van de gelamineerde stof bepalen,

· Visuele beoordeling van de gelamineerde stof.


Kwaliteit

De beheersing van de kwaliteit van de inkomende goederen, de kwaliteit van de productiemethode en de kwaliteit van het eindproduct zou een continue aandachtspunt in elk bedrijf moeten zijn. Helaas wordt hier nogal eens op bezuinigd. De eersten die dit merken zijn uw klanten. De kwaliteit van uw product zal afnemen als kwaliteitsbeheer binnen uw bedrijf weinig aandacht krijgt. Uw toeleveranciers zullen merken dat zij minder hun best hoeven te doen en zullen daar dankbaar gebruik van maken. Uw personeel merkt dat de productie soms vertraging oploopt door problemen met de kwaliteit van de inkomende goederen. Als uw bedrijf veel werkt met gelamineerde producten is het zeker geen weggegooid geld om ons eens te laten kijken naar de kwaliteit van deze producten. Op de korte en lange termijn zal een advies over de kwaliteit van de aan u geleverde stoffen en de manier van lamineren u veel kunnen opleveren: tevreden klanten, oplettende leveranciers en hardwerkend personeel!

 

Wij danken u voor het downloaden/afdrukken van deze publicatie. Op deze publicatie geldt een Copyright © Textile Lab 2007/2027. Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend! Meer informatie kunt u vinden op: www.textilelab.nl